
Hoe verheven: groene blaadjes, jonge blaadjes,
in het licht van de zon!
Schrijft Matsuo Basho in zijn ‘De smalle weg naar het verre noorden‘ dat ik nu lees.
Ik bezocht vandaag de tempel Kokawa dera. Oorspronkelijk had ik het zo gepland dat ik er met de trein naar toe zou gaan, maar het was ‘loopbaar’ en omdat het op deze zondagochtend mooi weer was ging ik vroeg op pad.
Ik liep lang langs de rivier en lang door buitenwijken. De steden zijn enorm uitgedijd langs de oevers van de rivieren en de kust, het lijkt wel of alles is volgebouwd.

En dan sta je opeens voor deze poort, een poort die lijkt op te stijgen uit de eentonigheid van de eenvormige huizen. En stap je een andere wereld binnen.


De hoofdhal rijst als het ware op uit de rotstuin. Het is een tuin in de ‘droge-rots-stijl’ (1574-1602), waarover Nooteboom schrijft: ‘al die stenen samen is een absurde verstilling en waar boven de tempel als een traag varend schip zich voort beweegt’.

De tempel is gewijd aan Senjū Kannon, maar wij gewone stervelingen mogen, kunnen haar niet zien. Boven de ingang van de hal hangt slechts een goudkleurig plakkaat met haar afbeelding. Maar wel vlakbij de bel, zodat ze altijd hoort wie er bij haar ‘aanklopt’.



