Vrijdag 13 maart Onderweg naar Ōsaka bezocht ik Fujii-dera. Deze tempel staat in een buitenwijk van Ōsaka, ingesloten tussen huizen. Het was nog zoeken en ook google raakte de kluts kwijt.
Het is een eenvoudige tempel, met een beeld, waarvan wordt gezegd dat het echt duizend armen heeft. En het wordt slechts 1keer per maand getoond.
Op de 18e van de maand.
En ja, ik was er op de 13e.

Zaterdag 14 maart ging ik naar Sefuku-ji.

Dat was een kleine onderneming. De enige kennis die ik over de tempels heb zijn kopieën die ik uit het boek van Cees Nooteboom heb gemaakt (gelukkig….) en een website over ‘Het verhaal van Genji’, de maker hiervan kreeg via dit verhaal belangstelling voor de Saikoku tempels (het verhaal speelt in verschillende tempels) en is ze toen allemaal gaan bezoeken.
Beide heren spreken van de moeite die ze hadden om Sefuku te bereiken, gedoe met de bus, overstappen, moeilijke klim, enz. Voor de laatste informatie ben ik langs het toeristen bureau gegaan: de bussen waren inmiddels opgeheven en het dichtst bijzijnde station lag op 12 km afstand. Heen en terug zou dat 24 km zijn, te doen leek me, ik moest het er maar op wagen.
Het pad volgde eerst een weg door een landelijke omgeving. De laatste 5 km gingen door een prachtig natuurgebied, hier waren wandelroutes uitgezet en zo kwam ik af en toe wandelaars tegen.

Het pad eindigde aan de voet van een berg. De tempel bleek op 400 meter hoogte te liggen.



Het pad werd trap: onregelmatige treden, soms steil. Soms was er een leuning, soms hingen er kettingen. Het grote voordeel was dat het al dagen droog is geweest, dus geen glibberige stenen.

Boven aangekomen stond er een eenvoudige tempel.
Maar deze tempel had zo haar schatten. Misschien wist de monnik van dienst dat ik geen beeld had gezien in de vorige tempel…..of het was een beloning voor na de klim…..maar hij wees me naar binnen en daar stond ik plotseling voor een verzameling prachtige beelden.




Kobo Daishi is hier ook geweest, 12 eeuwen geleden. De tempel was toen al 3 eeuwen oud. Tijd betekent hier niet zoveel (of is het ‘zijn-tijd’, zijn tijd en bestaan een?)
Op de terugweg passeer ik een kleine tempel, gewijd aan Kobo Daishi, hij staat ervoor als de essentiële pelgrim, als de eeuwige voorbijganger.

‘Ik was als een reiziger, op zoek naar een verblijfplaats waar ik zou kunnen eten en drinken,
Maar nadat de reiziger gegeten had en was uitgerust,
Kon hij daar niet langer op zijn gemak blijven en gaan slapen,
Hij moest weer een dagreis verder……’
