De eerste dag, de kop is eraf

Idar Oberstein is dus edelstenen, overal zijn edelstenen, ik blijk zelfs een stuk van de ‘Steinenwege’ te lopen. Ook het hotel doet hier aan mee, dit op haar eigen wijze. De sieraden zijn over mooie oude ansichtkaarten gehangen.

Oorbellen te koop

Daarna al vroeg met de klim naar de burcht begonnen. Deze was bij aankomst dicht, alles gaat hier pas om 11 uur open. (Maar het gaat open, dat blijkt later niet overal het geval te zijn).

Een laatste blik op Idar Oberstein

Bij de burcht was het de hoek om en toen liep ik in het bos en ging het omhoog en omlaag, als maar door, uren en uren lang.

Hier gaat het pad over stenen

Corona

Om me het niet te laten vergeten kreeg ik om 12 uur weer een bericht van de Bundesregierung. Hoe zou ik de Corona maatregelen kunnen vergeten, zodra je een voet ergens over de drempel zet moet het kapje op, in de dorpen zie je overal gesloten winkels en als Corona hoogtepunt vandaag blijkt het restaurant van het hotel waar ik vannacht slaap haar restaurant gesloten te hebben. Het was een wildrestaurant en op het reclamebord aan de weg is het woord restaurant nu weggehaald. Dat eenzame woordje ‘wild’ geeft een droevige indruk, een sfeer die ook hier in het dorp heerst. In verband met de maaltijd en mijn uitgestelde ochtend kopje koffie (het enige restaurant onderweg deze dag was ook gesloten) dus op stap. Het dorp bestaat uit twee wegen. Er zijn twee cafés, ook dicht. Er zijn twee slagers, ik ontdek een bakker…tot 1 uur open en bij het teruglopen ontdek ik nog een bakker, met een koffieapparaat en een tafeltje met een stoel. De koffie heeft een vreemde chemische smaak, maar is warm! Ik vraag of ik op de stoel mag zitten om dit hoogtepunt van de dag te kunnen genieten, maar dat mag niet….Corona. Gelukkig staat er buiten een bank waar ik mijn koffie opdrink. In het hotel liggen folders van te bestellen pizza’s en kebab uit Morbach of Idar Oberstein. Daar heb ik geen trek in en besluit wat lekkere broodjes bij de bakker te halen. Als ik terug in het hotel mijn e-mails bekijk is daar een mail van het hotel voor overmorgen…… het restaurant is gesloten. Dit wordt een waarlijke dieetreis!

In de krant stond gisteren een interview met Lex Bohlmeijer over ‘Wat maakt het leven de moeite waard?’

Uit de krant van gisteren, een interview met Lex Bohlmeijer: Wat maakt het leven de moeite waard? Het heeft met verbondenheid te maken, maar niet perse met iemand?’ ‘Nee, dat bedoel ik. Verbondenheid met het bestaan. Met het leven. Dat ik er in pas en dat ik het fijn vind om te bestaan. Dat zijn natuurlijk heel vaak schoonheidsmomenten, het kan een dichtregel zijn of een lijn in een melodie die iemand speelt of een lichtval op de esdoorn voor het raam – dan kan ik een diepe ontroering voelen en dan is het gewoon goed’ – klein lachje – ‘om (er) te zijn. Snap je?’

Of de zon op een rij bomen

Eindelijk….. weer op reis

De Hunsruck en ‘Heimat’

Alweer enkele maanden geleden ben ik een dagje naar Düsseldorf geweest om de twee musea te bezoeken met werk van Joseph Beuys. En toen ik daar zo liep door (dat toen bloedhete) Düsseldorf kwam het idee bij me op te gaan wandelen in Duitsland. Mocht er dan opeens weer een lock down worden uitgeroepen dan kon ik ik altijd nog naar huis komen. Ik koos (een beetje luk raak) voor de Hunsrueck, want daar speelde die prachtige serie Heimat, zo had ik een heerlijke reden hem weer te zien, elke avond een aflevering: zalig.

Een selfie voor het station in Düsseldorf

Leeftijden……

Vandaag ben ik in de trein gestapt naar Idar Oberstein. Ofschoon het een ICE wilde zijn, reed hij met een slakkengang en bouwde zo veel vertraging op. Toen ik naar de wc ging vroeg een meisje dat hier voor stond of ik geen papier in de afvalbak wilde doen. Haar ‘handy’ (telefoon) was er namelijk in gevallen, ze ging op zoek naar iemand die haar kon helpen het ding weer te pakken. Toen ik boven het toilet hing en mezelf in de spiegel zag, zag ik dat ik mijn mondkapje verkeerd om had. Tja, de jeugd neem de telefoon mee naar de wc en een ander (ik wil het nog geen oudje noemen) draagt het mondkapje verkeerd om. Het kan verkeren.

Ik zat tegenover een magere man die zo ongeveer een heel brood opat, hij had 1 minuut overstaptijd en met de vertraging bouwde de stress zich op. Ik kreeg het ook even benauwd want er (ik denk op de grens) verscheen een bericht van de Duitse overheid op mijn telefoon over de Corona maatregelen. Bij een eerste blik bleek Die Niederlande risicogebied te zijn……. het bleek gelukkig om de Caribische eilanden te gaan.

De Dom van Keulen

De trein passeerde Keulen, ik moest aan mijn kindertijd denken toen we met de trein naar Joegoslavië gingen en we wakker bleven tot we de Dom hadden gezien. (In mijn herinnering werden we dan ook weer heel vroeg wakker, want na München naderden we de Alpen en het eerste zicht daarop wilden we ook niet missen). Maar ja, toen kon je nog zo heerlijk uit het raampje hangen. Nu kon dat niet en omdat de Klima het niet deed werd het warm in de trein. Het goede nieuws was dat de trein na Keulen een werkelijke ICE werd! Hij scheurde door het Duitse land. Af en toe ving ik een blik op van de Rijn en er verschenen heuvels waarvan de hellingen met wijngaarden waren bedekt.

In Frankfurt (flughafen) moest ik naar een plaatselijke regional zug overstappen, de vertraging was ingelopen en ik moest een uur wachten. Na een kopje koffie dacht ik een wc in te gaan, dit bleek een testcentrum. (Het is 2021!! – de wereld is veranderd) Voor het regional station moest ik door de vertrekhal van het vliegveld. Toch weer vreemd en vertrouwd zo door die gang te lopen.

De hoofdstraat van Idar Oberstein

Idar Oberstein is beroemd vanwege edelstenen, er zijn (veel) winkels met edelstenen en er is een edelstenen museum. Ik kwam om 4 uur aan en heb de edelstenen maar gelaten. Morgen begint de wandeling achter de ruïne, daar boven op die rots en ik ben op zoek gegaan naar het pad om bij die ruïne te komen. Er bleek een omleiding te zijn.

Er is ook een Hildegard von Bingen pad

Dit pad begint in Idar Oberstein, het lijkt wel of heel Europa uit 1 kluwen pelgrimspaden bestaat. Officieel eindigt ‘mijn pad’ hier, maar ik begin er dus. (Hoe mijn besluitvorming hierbij gaat is niet altijd helder of duidelijk).

Ik heb gegeten op een plein met uitzicht op deze ietwat treurige uitgeschoten mint planten. Het zal nog een hele toer worden vegetarisch te blijven eten, tussen alle schnitzels, braten en ander fleisch vond ik nog een pasta met cantharellen in een saus die verdacht veel op currysaus leek. Ik heb het weggespoeld met een glaasje heerlijke wijn. (Na al die wijngaarden…..)

België – Congo

Mijn laatste uitstapje voor de corona was naar België, dus het eerste gevaccineerde (corona, zo vrees ik zal nog wel blijven) was ook naar België. Dit is overigens niet helemaal waar, ten eerste heb ik tijdens de lock down heel veel leuke, interessante, mooie uitstapjes in Nederland gemaakt, en ten tweede ben ik al een dagje naar Düsseldorf geweest.

Maar hiervan geen berichten.

De hoeveelheid berichten van de afgelopen periode is geheel aan mijn technische capaciteiten te wijten. Was ik gebruikelijk altijd op de ipad te werken, opeens kon ik daar het blog niet meer openen, laat staan bewerken. Ik moest naar de laptop (ander merk, ander systeem…….) overschakelen. Ik moest dus de foto’s naar de laptop ‘sturen’ (want met het snoertje, dat werd niets), hen daar in een google toestand onderbrengen en vandaar weer naar het blog. En dan kon ik op de laptop werken. Dat ‘overbrengen’ – er zal een beter woord voor zijn, lukte regelmatig niet. Omdat ik het werken op het blog toch wel miste heb ik nu een gedeelte van de opslag op de ipad ‘on hold’ gezet en de app opnieuw geïnstalleerd. Tot nu toe gaat het goed. Maar ik sla dus een hele periode met mooie, indrukwekkende, alledaagse maar toch zo waardevolle gebeurtenissen over. Tijd……tijd….

Mijn eerste gang in Brussel was naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Dit heette ooit achtereenvolgens het Koloniënmuseum en daarna Afrikamuseum. Het is in opdracht van koning Leopold ll in 1897 gebouwd voor de Wereldtentoonstelling in Brussel. Hij beschouwde het, net als Congo als zijn prive bezit. Rondom het complex is een park met een vijver, waarin een eiland. Leopold presteerde het om 267 Congolezen te laten komen die o.a. op het eiland in een nagebouwd Congolees dorp het dagelijks leven in de kolonie moesten tonen. Dit in rieten rokjes, 7 mensen stierven van de kou, mensonterend, op de tentoonstelling in Antwerpen worden zij alsnog geëerd.

De collecties (wetenschappelijk en museaal) groeiden snel (er werd wat afgeroofd) en er moest een groter museum komen. Dit is in dezelfde stijl als het Petit Palais in Parijs gebouwd.

Omdat het sindsdien nauwelijks van inhoud en toelichting veranderde was het museum expliciet, duidelijk racistisch. Van 2013 – 2018 was het gesloten voor een renovatie, hetgeen hard nodig was.

Ik ben er voor de renovatie 2x geweest en was benieuwd hoe het nu geworden was.

‘Gesloten centra, open dromen’ Freddy Tsimba. Renovatiematerialen en lepels uit Kinshasa.

Centraal in het gebouw is een grote hal in de vorm van een tempel met enorme beelden in de vier hoeken. Deze geven een koloniale visie weer. (De gouden koets verbleekt qua afmetingen hierbij). Omdat de beelden ‘integraal deel uit maken van een beschermd gebouw, mogen ze niet worden verwijderd’. Daarom is de Congolese kunstenaar Aimé Mpane gevraagd ‘een project op te zetten dat er een tegenwicht aan biedt’. Het resultaat is indrukwekkend, ontroerend en imponerend. Voor de beelden hangen ‘gazen’ – die er een nieuwe betekenis aan geven.

‘Ieder is zichzelf het naast’

Het beeld is van ‘de man van de Kerk, die bovenaan de koloniale piramide staat. Om het woord van God uit te dragen, volstaat dat hijzelf gedragen wordt’. (Wat is het Vlaams toch een mooie taal, ik citeer het regelmatig).

‘België schenkt de beschaving aan Congo’

Over dit beeld van een machthebber hangt een afbeelding van een krachtbeeld. Er schemert nog een gezicht door maar het heeft geen invloed meer.

M

In het Museum aan de Stroom was (was, want het was de laatste week, ik vond het zo mooi dat ik er de afgelopen week serieus over dacht nog een keer naar Antwerpen af te reizen) de tentoonstelling 100x Congo. Precies 100 jaar geleden ontstond de Congolese collectie, dus werden de 100 topstukken tentoon gesteld. Dit vergezeld van de tijdlijn van het kolonialisme. (En de rol van de kerk, het geld en onze Leopold natuurlijk hierin natuurlijk)

Krachtbeelden

Beelden met krachten uit de onzichtbare wereld van de geesten en de doden. Er zijn welwillende (beschermen de vruchtbaarheid en werken genezend) en kwaadwillende beelden (vervolgden het kwaad). Helaas hielpen de beelden niet tegen het kolonialisme).

Het was wederom ontroering, ik liep vol verbazing, vreugde, (het is moeilijk de woorden te vinden) van beeld naar beeld. Het ene nog mooier, serener dan het andere.

Het beeld droeg een kindje.

Beelden, ze vertellen ons zoveel en hoe vind je de woorden, hoe kun je zeggen wat je ziet, wat je ervaart, wat je voelt?

de tuin…..

Vorig jaar toen de eerste lock down werd afgekondigd kreeg, ontstond er direct een gevoel van ruimte, vrijheid, geen verplichtingen dus alle tijd om me eens op wat moeilijke dingen te storten. Dat werd de Goddelijke Komedie van Dante, daar over later meer. (n.b. er is de laatste tijd wat commotie over het ‘verwijderen van Mohamed uit de hel bij het schrijven van een nieuwe versie. In de discussie wordt gezegd dat Mohamed op de bodem van de hel in het vagevuur zit. Typisch weer zo’n voorbeeld van ‘de klok horen luiden’. Hij zit wel degelijk in de hel maar op een andere plek. Daar beneden in het ergste, heetste punt zitten de verraders: Judas, Brutus en Cassius. Mohamed zit met zijn schoonzoon Ali in de afdeling van de hel waar de tweedracht zaaiers zitten – en omdat de straf ‘past’ bij de zonde worden zij steeds maar weer door de duivels aldaar in tweeën gescheurd!

Maar goed, ik kreeg dus zo’n gevoel van ruimte, alle tijd!

De regels waren streng vorig jaar ik weet nog dat ik de stad uit fietste en me afvroeg ‘mag dit wel?’ Op 1 van de fietstochten passeerde ik in Maarsen het volkstuincomplex ‘Levenslust’ en met al die vrijheid, al die ruimte dacht ik ‘dat is leuk, een volkstuin!’ Ik nam direct ’s avonds contact op en er was een wachtlijst. Deze was zo lang dat het niet mogelijk was me bij ‘Levenslust” in te schrijven. Maar ik kreeg allemaal mooie tips dus schreef me bij een aantal verenigingen in. Terwijl ik vroeger nog wel eens ergens van afzag, een wachtlijst……. dacht ik nu, laat ik er maar op gaan staan en dan zie ik wel.

ik werd 2 dagen later gebeld en kon een tuintje krijgen naast, bij, voor een ander volkstuincomplex in Maarssen en of ik de volgende dag even kon komen tekenen.

Hier ben ik er al aan in het werk. De grond was keihard, om er enige beweging in te krijgen moest je er eerst een emmer water over gooien, dan vlug aan het werk: hakken, want na een half uur (en een vierkante meter) was alles droog en moest er weer een emmer water komen. Ik kreeg er dus blaren van op mijn handen.

En ik wist dus niets, maar dan ook niets.

Maar met hulp (coaching) van Eus werd het wel wat. En hij heeft slaplantjes, die hij uitdeelt.

Ondertussen groeide de sla, de pompoenen (het werden er 20), de bloemen en de broccoli. En als ik er niet was kreeg ik hulp van Nelleke en Magda twee vriendinnen uit de straat.

Maar……..ik had me dus ook op de wachtlijst van enkele tuinverenigingen in Utrecht laten zetten. En wat schetst de verbazing, een maand later kreeg ik een tuin bij de Amateur Tuinvereniging Stadion. Een heuse, echte vereniging (met alle bestuursconflicten die daarbij horen), met klusdagen, een verenigingsgebouwtje (met wc!), en wat al niet meer. Hier was de bodem overwoekerd met onkruid, tot heuphoogte! Toen ik het eenmaal redelijk ‘schoon’ had moest ik twee weken weg. Bij terugkeer was ook het onkruid teruggekeerd op de oude, bekende hoogte.

Dit is dus tuin2. Onder het net groeit veldsla en hierachter staat mijn trots: de artisjok. Hij had in november twee grote bloemen en 1 dag voordat het ging sneeuwen heb ik de wortels nog bedekt met stro. Hij heeft dapper, dapper doorgezet .

Dit is hem nu, begin april, dus als hij de komende kou overleefd dan gaat dit wat worden dit jaar. In deze tuin heb ik hulp van de tuin-buren en Karin, zo zijn we naar een kweker geweest om bloemenplanten te kopen, die ook nu ook weer terugkeren. Prachtig om te zien, hoe (bijna) alles weer gaat groeien.

Ondertussen is het hele verenigingsleven door de corona stilgelegd. Maar het werk gaat door: In beide tuinen komen de uitjes op en bij mijn thuis is boven op zolder een kleine kwekerij ontstaan. Ik heb inmiddels een ‘tuinplan’ en een schriftje aangelegd waarin ik de groei van de zaadjes en het vervolg bijhoud (als…ze uitkomen).

En ik ben vaste klant van het naburige tuincentrum geworden. Ik heb geen blaren meer op mijn handen, maar eelt.

En onder het plastic groeit de spinazie, de snijbiet en de uitjes.

The day brakes…….

Dit hoorde ik vanochtend op de radio, zo prachtig gezongen door Cilla Black, ze werd 77 jaar oud, en deze versie nam ze heel laat in haar leven op, haar stem is ‘gebroken’ door alles wat ze heeft meegemaakt, maar, of juist daardoor zingt ze het prachtig.

Ik ben deze week in Diepenveen, beter gezegd: in de abdij / het klooster Nieuw Sion. Ik ‘werk en woon’ deze week in de oude portiersloge en ben dus een soort ‘gastenpater’ (‘gastennon’; dit woord zou toch ook moeten bestaan, klinkt anders en wordt door de spellingcontrole ‘onderschept’). Maar goed, ’s ochtends ontvang ik de gasten en ‘smiddags ben ik vrij. Vanwege corona zijn er nauwelijks gasten, dus wandel en lees ik veel. Het is een beetje de oude Benedictijnse regel: rusten – werken – bidden. (Ik eet, ‘werk’ en lees).

Ik ben hier bij toeval verzeild geraakt, nog voor Corona. Ik heb eigenlijk iets met het klooster Maria Toevlucht in Zundert, kom daar al heel lang en houd erg veel van het Brabantse landschap. Maar ‘zij doen niets met vrijwilligers’, en toen kwam deze plek op mijn weg.

Ik zou vorig jaar eigenlijk maar 4 keer een week gaan, maar omdat de gemeente Deventer hier de familieleden van de corona patiënten wilde onderbrengen, heb ik me voor meer aangemeld. Die familieleden kwamen dus niet, en omdat ik nog steeds een klein trauma’tje heb over ‘afzeggen’ (toen ik nog werkte, dan stond ik in de trein en dan belde er weer een zieke op, dat geregel, gesmeek om een invaller op het laatste moment, vreselijk), heb ik vorig jaar dus niet afgezegd en ben hier zo toen vaak geweest. Zo ken ik de woongemeenschap inmiddels goed, op woensdagavond eten ze gezamenlijk en dan eet ik mee. (en ook weer zalig dat ik niets hoef met de groepsprocessen………)

Het klooster bestaat uit een woongemeenschap (10 woningen met jonge gezinnen, of alleenwonenden), een werkgemeenschap (hoofdzakelijk vrijwilligers, rond de 70 in getal en vaak ook zo in leeftijd…..ik realiseer me dat ook ik die leeftijd nader) en een getijdegemeenschap, die de gebedsdiensten (4x per dag) verzorgen. Ik heb een poosje mee gedaan met de opbouw van de getijdengemeenschap maar omdat ik me geheel niet in de inhoud van het geloof kan vinden heb ik me daarvan teruggetrokken. Zie verder: http://www.NieuwSion.nl .

De monniken zijn overigens jaren geleden vertrokken, hier is door Kruispunt een erg mooie documentaire over gemaakt. Ik heb gezocht die kon ik niet meer vinden. 2 Jaar later heeft Kruispunt nogmaals een documentaire gemaakt hoe het de monniken sindsdien verging: ze hebben een nieuw klooster op Schiermonnikoog gesticht. Zie hiervoor: ‘Het eiland van de monniken’ op uitzending gemist. Ook mooi en, met veel beelden van ‘hier’. En voor het nieuwe klooster zie: http://www.klooster Schiermonnikoog.

Even een rondkijkje in het klooster:

Er zijn nog veel dingen, ruimtes en gebruiken van de monniken over gebleven, dit is de klompenkast, ik vind het 1 van de mooiste plekjes.

Nog een favoriet: de druivengang. Als ik hier door heen loop moet ik altijd even aan de monniken denken die hier naar toe gingen (zo denk ik) als ze verdrietig waren. De druivenranken zijn door gaten in de muur naar buiten geleid, waar ze in de aarde verdwijnen.

Wat is hier allemaal te doen? Het complex is voor een ‘zacht prijsje’ door een stichting gekocht die het als een ruim spiritueel (Christelijk) centrum exploiteert. Er is een gastenverblijf, twee ‘kluizen’ (nu twee mooie grote gastenverblijfjes), een moestuin, verkoop van eigen groente, een ciderbrouwerij, (in de herfst komen uit heel de omtrek mensen appels brengen), en er zijn ruimtes om cursussen e.d. te geven. Een van de kapellen wordt op dit moment tot koffie- en theeschenkerij verbouwd. ’s Zomers is er een camping wat vorig jaar erg leuk was. Er waren gasten die een muziekinstrument bespeelden of zongen die een bijdrage aan de diensten wilden en konden deden.

Voor mij is de grote attractie (behalve een zalige stilte) de plek: als je de poort uit stapt sta je in het bos of in de landerijen. Zo zag de wereld er woensdagochtend vroeg uit.

We waren nml stembureau en ik daarom moest ik vroeg het hek open maken en was toen weer helemaal flabbergasted van het landschap en het licht.

Dit is ‘mijn; boompje zoals het er in de herfst bij stond.

De natuur houdt op dit moment haar adem in, nog heel even wachten en dan explodeert de lente. Ik was vanochtend bij de buren: een boerderij met een melktappunt, waar ik altijd even een praatje maak met de boer of boerin. Er waren jonge kalfjes geboren! Zo mooi. Volgende week gaan de koeien naar buiten. Maar dan ben ik weer in de stad.

Zoals ik al zei, de stilte is een weldaad. Het is een ‘klein bestaan’ hier, waardoor je alles zuiver, zo mooi ervaart.

Het licht, het is altijd weer het licht.

Gelukkig dat

het licht bestaat

en dat het met

me doet en praat

en dat ik weet

dat ik er vandaan

kom, van licht

of hoe dat heet

(Hans Andreus)

10 maart, de herdenking van de Chinese inval in Tibet

Het is vandaag 62 jaar geleden dat China Tibet binnenviel en het annexeerde.

In 1986 heb ik Tibet bezocht en sindsdien ging ik op 10 maart altijd naar de herdenking van de Chinese inval. Deze werd lange tijd in de Dominicuskerk aan de Spuistraat in Amsterdam gehouden. De hele kerk stond dan vol kraampjes van actiegroepen. De bezoekers waren een bonte verzameling Tibetaanse monniken, vluchtelingen, en Westerse belangstellenden: Boeddhisten, hippies, en handelaren in Tibetaanse prullaria en -kunst.

De herdenking had meer weg van een reünie, en van ‘stilstaan bij’ kan ik me niets herinneren. Rond 12 uur was er een lange pauze, waarin ik altijd in de buurt rond ging lopen. Die buurt was (en is) een ‘rosse’ en ik weet nog goed hoe de monniken langs die dames liepen. Vandaag is er een bijeenkomst bij de Chinese ambassade gehouden. Al 62 jaar bezetting. Al 62 jaar protest en het schiet geen meter op.

Die reis van 1986 was zwaar. We vlogen naar Kathmandu en zouden met de bus naar de grens met China gaan, alwaar we zouden overstappen naar het Chinees openbaar vervoer. Op weg naar die grens bleek (het was moesson) dat er ‘landslights’ waren: grote gedeeltes van de weg waren weggespoeld en zo moesten we daar de bus uit, boven langs lopen en aan de andere kant weer vervoer zien te regelen (dat ook niet verder de weg af kon) , dat ons naar de volgende landslight kon brengen.

Bij de grens aangekomen, liep er een enorme modderstroom over het pad dat we moesten kruisen waarna we omhoog ‘de hoogvlakte op’ moesten klimmen. Er stonden Nepalese dragers klaar om de bagage naar de overkant te sjouwen, dus toen ik mijn rugzak daar door de stroom zag gaan moest ik hem wel volgen.

Aan de overkant stond de bus (er stond een bezem in), die al snel naar boven de 5000 meter steeg. Een van de medereizigers raakte in coma. We deden er 3 dagen over Lhasa te bereiken, onderweg bezochten we het Tashilunpo klooster waar de Panchenlama op bezoek was. We sliepen daar boven het toilet. Alle Tibetanen waren nog in Mao blauw gekleed.

Lhasa was nog een Tibetaanse stad, met behulp van meegebrachte foto’s van de Dalai Lama kreeg ik o.a. toegang tot het dak van de JokHang (de hoofdtempel van het Tibetaans Boeddhisme). De muren van dat dak waren versierd met prachtige fresco’s. Daar maakte ik deze foto van de dansende witte Tara:

Ze hangt er nu niet meer. Bij een van de opstanden is het dak door het Chinese leger verwoest.

Van Lhasa zouden we via Golmud en Xining naar Kashgar gaan, vanaf Xining zou het 2 dagen met de bus over de hoogvlakte en door de woestijn rijden zijn. Het werden er 4. We kwamen 2 dagen (en koude nachten) vast te zitten in het moeras.

Toen ik in Kashgar aankwam zag ik daar een meisje dat met haar ‘mooie jurk’ voor de spiegel stond, ‘Hier willen ze weer mooi zijn…..’ verzuchtte ik, ik wilde geloof ik even helemaal niets. We sliepen in de oude Russische ambassade. Kashgar ligt op een strategisch punt in de Taklamakanwoestijn en aan het begin van de vorige eeuw wilden de grootmachten allen invloed in dat gedeelte van de wereld, die ambassade stond nu leeg en was door de reizigers als hotel geconfisceerd. De strijd en het hotel worden prachtig beschreven in het boek ‘The Great Game’ door Peter Hopkirk.

Ontmoeting in Kashkar

Van Kashgar gingen we met de bus verder over de Karakoram Highway (weer boven de 5000 meter, het sneeuwde op de pas) naar Pakistan. En ook toen kwamen we onderweg weer vast te zitten. Ik vergeet nooit het gezicht van Joke, met wie ik toen reisde. Ze had nml 2 enorme meloenen uit de vrachtauto voor ons bemachtigd, bezorgd om weer zonder eten vast te komen zitten. ‘Marga! Ik heb meloenen!’

Pakistan was prachtig, maar door al het oponthoud moesten we door. De laatste busrit zat ik naast de chauffeur die de hele nacht doorreed en gaf hem de hele tijd een sigaretje, zodat hij maar wakker bleef.

Rawalpindi was een soort paradijs. Het was alleen jammer dat het ramadan was, alles was dicht.

Inmiddels zijn zowel Tibet als het NoordWesten van China waar de Oeigoeren wonen voor reizigers compleet afgesloten en vond en vindt er een genocide plaats. Beide gebieden zitten vol mineralen, erts en liggen strategisch. Ook heeft China ‘lebensraum’ nodig voor haar bevolking. De kranten en tv geven geen aandacht meer aan de herdenking van de inval in Tibet.

De Oeigoeren hebben (wat aandacht betreft) meer ‘geluk’. Deze foto stond vanochtend in de krant:

Deze foto is een duidelijk voorbeeld van de ‘Chinezizering’. De Oeigoeren zijn een soort Turkse ‘stam’, ze spreken Turks en eten o.a. kabab en Turks brood. (en meloenen dus) De chinezen eten mie.

De laatste jaren zijn er veel Oeigoeren naar Turkije gevlucht, maar die Erdogan he? Die ziet zijn belangen bij China slinken en zinspeelt er nu op de gevluchte Oeigoeren regelrecht terug het strafkamp in te sturen.

Ik wilde eigenlijk een stukje schrijven over Birma, gisteravond hoorde ik op de radio dat de demonstranten daar hopen op hulp van de internationale wereld. En toen moest ik denken aan de Tibetanen, de Oeigoeren, de Koerden enz. enz. Telkens weer die hoop op hulp van buiten en telkens weer dat bedrogen uitkomen.

De volgende keer nee, een andere keer Birma. (‘het lijkt wel of ze in het verleden leeft’)

Heir to a glimmering world

De reacties op dit boek waren een mooie aanleiding dit boek weer te bekijken. Ik las het eind januari 2009, in de kerstvakantie daarvoor was in naar New York geweest. ‘Ik deed maar’ is een zin die deze dagen vaak door mijn hoofd schiet, dan weer dit, dan weer daar naar toe – je dacht er toch nooit aan dat dit eens zou ophouden?

Lang geleden las ik de boeken van Chaim Potok, boeken die de levens van jonge opgroeiende jongens in het Joodse orthodoxe milieu van vlak na de 2 Wereldoorlog in New York beschrijven. Ik vond die boeken toen erg mooi (geen idee wat ik er nu van zou denken) en herinner me nog dat ik dit met een feministe besprak die alleen nog maar boeken wilde lezen die door vrouwen waren geschreven en die over vrouwen gingen. (ja… ook toen al, deze nauwe blik die niet over inhoud gaat. Maar dat is een andere discussie) Maar ze las wel Chaim Potok, over jongens dus. We concludeerden dat deze boeken met zoveel liefde het leven daar beschreven en dat ze daarom zo mooi waren.

Met de boeken van Chaim Potok en Philip Roth in mijn gedachten logeerde ik in een orthodox Joods hotel in “the Lower Eastside’. Het is de buurt waar de straten namen hebben (i.p.v. nummers), hij ligt vlak bij de aankomstpier waar de immigranten na ‘goedkeuring’ de nieuwe wereld binnen stapten. Het hotel, de eigenaar met zijn gezin en de mensen die er rondliepen, werkten, rondhingen (?) leken allen hoofdpersonen uit die boeken.

In de straat stonden een authentiek Italiaans en een Joods huis, ingericht zoals deze aan het begin van de vorige eeuw door de immigranten bewoond werden. het was die Kerstvakantie ijzig koud en ik kreeg van het hotel een toegangskaartje voor het fitness centrum om de hoek: aan de Williamsboulevard. Daar stond ik op de lopende band met uitzicht op de Williamsbrug. Het was even of ik er woonde…….

Maar hier het boek:

‘Erfgenaam van een glinsterende wereld’

We zakten nog dieper in de wildernis….de jongens in oorlog, ondergoed ongewassen, pannen die overkoken. Mitwisser die achter een gesloten deur liep te ijsberen, zijn vrouw paniekerig in haar bed. Waltraut ongewassen die steeds moeilijker werd. Soms verviel ze in ontroostbaar gehuil. Als ik op de ene plek orde schiep, sijpelde het verval al op een ander plaats naar binnen. Ik, de vreemdeling, was alles wat ons van de laatste stadia van de anarchie afhield – ik was een verborgen motor van overleven geworden.’ ( Rose)

Rose Meadows, een wees die een plek nodig heeft om te wonen en te werken, gaat via een krantenadvertentie wonen bij de familie Mitwisser, Duitse Joden die in 1933 alles wat ze hadden op de vlucht moesten achterlaten. In hun nieuwe vaderland worden ze als ‘parasieten’ beschouwd. Rudolf Mitwisser is een onderzoeker van oude Joodse teksten, hij sluit zich voornamelijk op in zijn kamer, hij heeft weinig contact met de rest van de familie of met de realiteit van het dagelijks leven. In Europa werd hij als een grote geleerde beschouwd, in de VS vindt men zijn onderzoeken van weinig belang. Zijn vrouw Elsa is een natuurkundige die in Berlijn samenwerkte met een geleerde die kort na haar vertrek de Nobelprijs ontving (dit is trouwens ook het onderwerp van: ‘In een roes van helderheid’ – Helga Konigsdorf). Ze is radeloos dat haar gezin nu afhankelijk is van anderen, ze is mentaal onevenwichtig en ook zij sluit zich op in haar kamer. Het gezin bestaat uit vijf kinderen, Anneliese, het oudste meisje zorgt voor haar 3 jongere broers en de zeer behoeftige 3 jarige Waltraut.

Maar ze hebben ook geluk, het gezin is ‘geadopteerd’ door James A’Bair (een karakter gebaseerd op de zoon van A.A.Milne, de schrijver van Winnieh the Pooh). Deze James ontvangt nog steeds geld van verkoop van de boeken van zijn vader en hij voelt zich aangetrokken tot een huiselijk leven dat totaal anders is dan wat hij heeft gekend. Hij stuurt periodiek geld en cadeautjes voor de kinderen. Deze James, werd ‘ een berenjongen’ toen hij 5 jaar was en heeft door zijn publieke figuur nooit een eigen identiteit kunnen ontwikkelen. Rose heeft een moeder die loog o.m. over de dood van haar man.

James, die de ‘berenjongen’ werd toen hij 5 jaar was heeft omdat hij een publieke figuur was nooit zijn identiteit kunnen ontwikkelen, Rose heeft een moeder die loog over de dood van haar vader.

De Mitwissers hebben ontdekt dat hun wereld voor altijd is veranderd, maar noch de vader, noch de moeder is bereid zich aan te passen.

Het boek is gericht op de karakters en het thema, in plaats van op een plot (dat is er ook niet). De schrijfster schept een intense wereld waarin elke persoon de vervulling van zijn of haar dromen zoekt, die aan de horizon glinsteren als vuurvliegjes, het is een kwetsbare hoop die kan sterven voordat ze tot bloei komt.

Het zijn allemaal ongewone personages, met ironie beschreven – op zo’n manier dat hun verhalen belangrijk worden.

Ik had over het boek in de krant gelezen en in New York gekocht (het is niet in het Nederlands vertaald). Toen ik een maand later elke dag met de trein en de bus moest reizen lag het boven op een stapel nog te lezen boeken dus ging het mee onder het mom van ‘als ik maar iets te lezen heb ……’

Zo gaat dat met boeken en zo gaat dat met mij.

En ik ben er nog niet uit: ‘Heir to a glimmering world’: die wereld waar ieder naar toe ging was dus niet zo glimmering. Daar denk ik nog even over door.

berichten van een veranderde wereld

Toen mijn moeder gestorven was en ik elke dag weer naar het ouderlijk huis moest om van alles te regelen, ging ik vanaf het station Haarlem met de bus daar naar toe. In mijn herinnering regende het altijd (het was januari) en in die bus las ik ‘Heir to the glimmering world’ en dit zo lezende in die bus in de regen, het waren de enige momenten in die periode dat ik me niet verdrietig, ontheemd of ‘wees’ voelde. in tegendeel ik voelde me toen veilig, beschermd in die bus.

Misschien zijn we nu, in deze (nog steeds durende) corona tijd allemaal ‘Heirs to the glimmering world’ – of misschien is het alleen maar omdat het ritme van ‘Berichten van een veranderende wereld’ het zelfde klinkt als de titel van dat boek, maar in ieder geval toen ik bedacht ‘laat ik weer eens iets op het blog schrijven’ – toen moest ik de hele tijd aan dit boek denken. En niet alleen wbt de titel, het boek gaat over emigranten en hoe ze hun leven in het nieuwe land hernemen, opbouwen, leven. Nou ja dat zijn wij nu ook, migranten naar een andere wereld.

Dus vandaar…. berichten van een veranderende – veranderde wereld, die nog steeds glimmering is.

Op mijn wc hangt het toegangskaartje van de tentoonstelling ‘De aanbidding van het Lam Gods’ uit Gent. Dit is een foto van de folder, fotograferen was verboden. Met ‘Het Lam Gods’ wordt Jezus bedoeld, Agnus Dei: ‘Als een lam werd Hij ter slachting geleid’. Het offeren van en het bloed van het lam zijn in de godsdiensten van het Midden Oosten een vaker gebruikt beeld. Als je ernaar googled wordt het allemaal erg bloedig, opofferend, Christelijk dus – dus met dat googelen stop ik nu. Het gaat mij op de schoonheid en de blik van dit lam.

Wat kijkt dit lam prachtig de wereld in. Niet echt als een lam dat naar de slacht wordt geleid lijkt me. Eerder ‘wie doet me wat’, het straalt waardigheid uit. Het zegt iets over de tijd dat het geschilderd werd. Het ging goed met Gent in die dagen, de handel floreerde, de stad bloeide. Het zijn nog Middeleeuwen, maar er straalt al een zelfverzekerheid uit. Het veelluik waar dit lam op staat is klein, het bestaat uit 12 panelen die aan beide kanten beschilderd zijn. Een prachtig ‘Middeleeuwse stripboek’ vol symboliek. Het werd geschilderd door de gebroeders van Eyck, in opdracht van de koopman Joost Vijd, die hiervoor een kapel in de St Bataafskathedraal liet inrichten.

Het toegangskaartje staat op 3 maart, dus dit is precies een jaar geleden. In België heerste al corona, maar van maatregelen op straat, in het museum, in de winkels heb ik nauwelijks iets gemerkt. zo ben ik heerlijk uit eten geweest. In de trein echter heerste al een vreemde sfeer, ik had toch een gevoel van ‘kan ik hier nog wel zijn?’ Het was mijn laatste ‘echte reis’. Ik geloof dat minister Bruins ‘dat briefje’ al had ontvangen, van het eerste corona geval in Nederland en hierna zou ook Nederland in een ‘intelligente lockdown’ geraken. Ik ga nog even uitzoeken wanneer dat was.

En sindsdien zitten we dus soms stevig, soms los, (en intelligent?) in een lockdown. Mijn leven is veranderd……en toch weer niet. Wat zal volgen zijn berichten van dit veranderde, veranderende leven.

‘Heir to a glimmering world’, daar wil ik nog even op terugkomen. Er staat niet ‘Heir from’ wat ik zou vertalen als ‘erfgenaam van’, maar ‘Heir to’ ook dit betekent ‘erfgenaam van’ maar als je ‘erfgenaam naar’ op google translate zet, dan verschijnt ‘heir to’. Ik ga dus van beide uit, we hadden een glimmering world geërfd, en we gaan deze erven. (in het boek is het tenslotte ook niet duidelijk welke wereld bedoeld wordt, maar misschien was dat juist de bedoeling). En in ieder geval een titel waarvan je bijna over elk woord kunt na denken.

Leuk als jullie mijn blog weer lezen, reacties zijn welkom!

Van Koyasan naar Osaka

Het was maar 4 uur met de trein en een wereld van verschil.

De gang in de tempel.

Woensdag 18 december Vanochtend om 5 voor 6 liepen we weer door deze gang op weg naar de ceremonie. Het is een mooie ceremonie met prachtig gezang. Een ander onderdeel is weer het goma-ritueel. Op onze kamer liggen ‘gebedsstokjes’ en een viltstift waarmee we een wens op het gebedsstokje kunnen schrijven.

De ‘bijsluiter’

Een onderdeel waar wij aan mogen meedoen is het offeren van wierook bij het Boeddha beeld en het zetten van een glaasje water bij dat van Kobo Daishi. Direct daarna gaan we om de beurt op een krukje zitten en wordt onze rug met een rinkelend apparaat gemasseerd. Heerlijk, daar niet van, maar ook dit had ik nog nooit meegemaakt.

Daarna was het weer ontbijt. De monnik die ons al 3x bediend had bij het eten ‘do you want more rice? (En dan kreeg je een klein schepje, zodoende vroeg iedereen wel 3 of 4 keer om rijst) was er niet. We moesten het zelf doen! De vader van de familie uit Maleisië, die met ons te gast zijn sprong direct in dit gat.

In de tempel bleek een belangrijk persoon op visite te zijn. Toen we na het ontbijt een kopje koffie in de zeer moderne inpandige coffeeshop dronken stond hij aan de andere kant van het glazen raam tegenover ons en mediteerde (?) door het open raam naar buiten. Daar zaten we met de koffie! Het blijft jammer dat we door de taalbarriere niet met de monniken kunnen praten. We hadden graag meer willen weten over de rituelen, het bezoek en de gang van zaken in de tempel.

Koyasan is vandaag in mist gehuld.

Geen sneeuw in Koyasan (een stille hoop) maar mist en regen. Met de bus ging het weer naar de kabelbaan en daarna beneden verder met de trein. We moesten 2x overstappen en hadden hier 3 en 4 minuten voor. In die tijd moesten we erachter zien te komen op welk perron de volgende trein zou komen en moesten we daar naar toe. En wat te doen bij vertraging? Maar in Japan heeft de trein geen vertraging…….. en zodra je bent uitgestapt is er altijd wel iemand van de spoorwegen of een andere reiziger die helpt.

Ons hotel in Osaka ligt op 4 minuten afstand van het station. Het is bloedheet op de kamer en het raam kan niet open. We hebben aan alle knopjes gedraaid waarvan we vermoeden dat die iets voor de temperatuur kunnen betekenen. De hitte blijft. Dus toen naar de receptie. De man die onze koffers naar boven had gebracht (hiervoor had hij witte handschoenen aan gedaan) ging met me mee, de handschoenen weer aantrekkend. Ook hij draaide aan de knopjes, zei ‘okay’ en vertrok weer. Na 5 minuten was hij er weer, nu met een ventilator! Het is tenslotte 18 december……. dus de ventilator brengt ons koele lucht deze winter.

Vanmiddag zijn we even Osaka in geweest. Een cultuur shock!!!

We hebben okonomiyaki (een specialiteit van Osaka) gegeten.

Okonomiyaki is te omschrijven als een hartige pannenkoek. Een pannenkoek waarop een laagje kool wordt gelegd, gevolgd door bv inktvis, een sausje, eventueel nog een groente met als slot weer iets stevigs met bedekt met mayonaise, tomatensaus en wat groen strooisel. (onbekend wat). Het geheel wordt op een hete plaat gebakken en daarna geserveerd en dan snijd je er met een mes stukken af die daarna met de stokjes worden opgegeten……….zonder dat er stukjes vulling tussen uitvallen. Dit lukte ons aardig, na 10 weken o hasji (stokjes) training.

En wat wandelend door het centrum (eindelijk een soort centrum) van Osaka zagen we veel gokhallen met daarin veel mensen, veel winkels en mensen met tassen vol, want ze houden hier erg van kopen, kopen en kopen. Er zijn hier veel restaurantjes en kleine eettentjes. Die zijn we vandaag (donderdag) maar eens gaan uit proberen.

Veel gokhallen met veel mensen.
Overdekte winkelstraten en iedereen koopt, koopt……

Vandaag, donderdag 19 december hebben we eerst een enorm aquarium bezocht waar je onder en langs vissen uit de hele wereld kon lopen.

De kwallen, zo mooi als de natuur weer was, het was soms net kantwerk.

Daarna hebben we de grootste departement store (warenhuis) van Osaka bezocht. Ik geloof dat de voedselafdeling net zo groot is als de hele Beijnkorf bij ons. En het was er enorm druk. Voor sommige afdelingen stond een lange rij. Wij kochten hier (weer) handdoekjes. Een rugzak vol met handdoekjes inmiddels, want ze zijn zo leuk hier.

Tenslotte zijn we naar een food market gegaan waar we van alles zagen en sommige hapjes geprobeerd hebben.

De viswinkel, sommige vis wordt levend bewaard.
Zowel voor de barbecue als voor de sashimi.
Uit de pakketjes van 550 yen steken kopjes (onbekend, welk dier) omhoog.
Geflambeerde coquilles.
Tempura met oesters.
Balletjes met inktvis.

Het was heerlijk dus!

En toen was het met de metro terug naar het hotel.

Keurig in de rij (hier staan pijltjes voor op de grond) wachtend op de trein.
Osaka by night.

Het is inmiddels avond geworden en ik ga inpakken, voor de laatste keer want morgenochtend vertrekken we weer naar huis.

Het zit er echt helemaal op!

De weg terug

Vertrek om 8 uur uit de ryokan.

Donderdag 12 december zijn we om 8 uur van de ryokan bij tempel 88 vertrokken naar de onsen waar we vannacht slapen. Het is toch een beetje ‘verder lopen’. We zitten gewoon nog/weer in de wandelmodus: gisteren bij aankomst meteen alle kleren verzamelen voor de was, de droger 2x laten draaien want anders zijn de sokken niet droog, het adres van de volgende dag laten bellen om te reserveren en nu in de onsen hebben we weer laten bellen voor morgen en overmorgen. Alles is nu tot vertrek gereserveerd.

Het was best fris vanochtend en ik vraag me af hoe koud het hier in januari wordt. Het bos ziet er best einde herfst uit, maar er staan hier ook palmbomen, en zijn die wel wintervast?

Henro – auto

Het pad ging weer door prachtige bossen, langs beekjes en over moeilijke paadjes.

Vrijdag 13 december het was een koud begin vanochtend, de rijp lag op de velden. Zodra de zon boven de bergen uit was kreeg ze meer kracht en werd het warm. Dus heerlijk terug gelopen naar tempel 10.

Ginkoboom bij tempel 10

Zaterdag 14 december vandaag liepen we de hele dag langs de weg in de bebouwde kom. En de rek is er een beetje uit. Dus veel Lawson en Seven Eleven voor een kopje koffie. We zijn alvast voorzichtig (we moeten het allemaal meesjouwen) met de boodschappen voor mee naar huis begonnen.

En toch nog een mooi herfstveld.
Het kan nog…….verse sushi’s.

Sliepen we gisteren in een schone, mooie ryokan met een restaurant waar we heerlijk aten, vandaag is het misschien wel de minste van de hele reis.

De eigenaar (?)

Het henro-seizoen loopt duidelijk op z’n eind. Dit was de enige ryokan die nog open was. Toen we aankwamen was er niemand. Ik haalde de buurman uit zijn winkeltje die zijn telefoon pakte om de eigenaar te bellen. Net op dat moment kwam er een krom vrouwtje de hoek om, ‘sumimasen, sumimasen’ (sorry) roepend dat ons binnen liet. Ondertussen praatte ze de hele tijd tegen me. Via een restaurant met een enorme troep bracht ze ons naar de kamer. Na vijf minuten bracht ze thee, met een bonbon, een snoepje en een koekje. Na uitleg over de ofuro werd elke lichtschakelaar geprobeerd en ondertussen maar pratend en pratend. Hier begrepen we niets van, maar ik denk dat dat niet belangrijk is.

De administratie en de doos met de nieuwe spullen.

Tijdens het eten (hier zaten ‘ontbijt onderdelen’ bij: een rauw ei en de natto, nog een geluk dat ik de sushi’s had gegeten) pakte de man de grote doos uit. Hier zat in: een camera, een kussen (dat ik ook mocht uit proberen), 2 dozen mooie snoepjes (een soort Japans Turks fruit) waar we van mochten proeven en een stofzuiger die hij even uit probeerde. Ook de man praatte de hele tijd door, ongeacht of hij antwoord kreeg, of dat het begrepen werd.

In het restaurant hingen 2 henro hessen geheel bedrukt met de stempels van de 88 tempels. Er lagen ook 3 stempelboeken. Toen ik deze bekeek, bewonderde en hier naar vroeg kregen we een prachtig brokaten naambriefje van ene Yoshida. Was dit familie van de man? Hij was het niet. We kwamen er niet achter wie dit was.

Tegen de muur stond ook een enorme kooi. We vroegen ons af van welk dier deze was, want de kooi was leeg.

Je kunt in dit restaurant ook aan je conditie werken.

Even later kwam het vrouwtje (zo krom, ach zo krom) met een zeer alert katje binnen en ze stopte dit direct in de kooi. Hierna haalde ze nog een katje dat ook direct werd opgesloten.

En toen bracht ze ons twee heerlijke kopjes koffie, weer met koekjes. Soms vroegen we ons af ‘in welke film spelen we nu mee’, wat een chaos, bij twee aardige mensen die ook zo erg hun best deden gastvrij te zijn. Maar ze waren, ben ik bang, een beetje over hun top heen.

Zo krom…..
Het avondeten en ontbijt waren hetzelfde en kwamen uit deze keuken.

Zondag 15 december Het was nog een uur lopen naar tempel 1.

Het allerlaatste bord: nog 900 meter naar tempel 1.
En hier luidde ik nog 1 keer de bel.

We bekeken weer uitgebreid de hoofdhal want hij blijft mooi. Daarna lieten we ons fotograferen, een beetje weemoedig, trots en blij.

De cirkel is rond, we zijn terug in tempel 1.

Hier haalden we nog 1 keer het stempel op en toen zat het erop. We liepen naar Bando-station en na drie kwartier wachten kwam de trein.

En toen waren we in een kwartier in Tokushima.

De henro zit er op. Nu gaan we naar Koyasan waar Kobo Daishi in stille meditatie zit en wacht op Miroku, de volgende Boeddha.